De stuwkrachtventilatie in tunnels heeft de volgende doelen:

  • Voorkomen van overmatig opwarmen van de betonnen constructie.
  • Voorkomen 'backlayering': het tegen de ventilatierichting in kruipen van rook.
  • Voorkomen van de vorming van een explosief mengsel in de tunnelbuis.
  • Rookvrij houden van de naastgelegen (veilige) tunnelbuis.

De werking van de ventilatie is, afhankelijk van het incident.

foto_tunnel_1 foto_tunnel_2 tunnel_foto_nr_3_kl

 

Omdat de langsventilatie een belangrijke rol speelt bij de bestrijding van calamiteiten is deze aangesloten op een noodstroomaggregaat (NSA).

Bij stroomuitval zorgt het noodstroomaggregaat  dat de detectiesystemen, sprinklerpompen, vloeistofpompen, het ventilatiesysteem, de noodverlichting en de besturingssystemen blijven functioneren. Brand wordt direct met voldoende repressieve capaciteit bestreden.

foto_tunnel_4 foto_tunnel_6
tunnel_foto_nr_5_kl

 

Het is belangrijk te beseffen dat de uiteindelijke totaal verplaatste luchthoeveelheid een veelvoud is van de luchthoeveelheid die door de ventilator heen gaat.Dit noemen we het inducerend vermogen.

De opstelling van de ventilatoren is zeer belangrijk in verband met het opstellingsrendement. Het opstellingsrendement wordt o.a. beïnvloed door het coanda-effect, de aanzuigcondities en de uitblaascondities van de ventilator.

Het coanda-effect treedt in de praktijk altijd op omdat ventilatoren tegen het plafond of zelfs in een hoek van de wand worden geplaatst.

De CO/LPG/NOx-niveaus en de rookverspreiding binnen de tunnels worden gecontroleerd door een PLC of een schakelkast, die het hart is van het ventilatiesysteem.

tunnel_foto_nr_7_kl foto_tunnel_8 tunnel_foto_nr_9_kl

 

Individueel aanstuurbare stuwkrachtventilatoren zorgen bij normaal bedrijf voor een volledige menging van de lucht in de tunnel.

In geval van brand creëren de ventilatoren virtuele rookzones, die de afvoer van grote volumes rook en hitte verzorgen.Indien een verandering in temperatuur (mogelijk door brand) en/of luchtkwaliteit is gedetecteerd wordt deze informatie geleid naar de centrale computer (PLC).

Afhankelijk van de plaats en de status van enige verandering in luchtkwaliteit in de tunnel, zal de computer het ventilatiesysteem activeren in overeenstemming met het voorgeprogrammeerde functionele diagram.

Vier bedrijfsstanden zijn mogelijk:

  1. Continue ventilatie.
  2. CO/LPG-alarm; hierbij worden de ventilatoren tijdelijk geactiveerd.
  3. Verhoogd CO/LPG-alarm, waarbij de luchtsnelheid en debiet opgevoerd wordt.
  4. Brand/Rookventilatie, waarbij hitte en rook gecontroleerd worden afgevoerd